14. Actualia

 

uit TROUW maandag 17 augustus 2015

TEKST Frans Dijkstra

Henk van Mastrigt 1946-2015

Hij was een van de laatste Nederlandse missionarissen op Nieuw-Guinea. Daar maakte hij ook naam met een collectie vlinders die hij in het ongerepte binnenland ving. Hij was gelukkig als hij diep in de modder van een rivier stond, met zijn vlindernet in de aanslag. “Kom maar, kom maar naar beneden, niet bang zijn", zei hij dan op bezwerende toon tegen het fladderende insect dat nog ontbrak in zijn collectie.

Op zulke momenten in het regenwoud van Nieuw-Guinea vergat hij zijn haperende oude lichaam. Dan was hij weer het jongetje dat met zijn vader op vlinderjacht gaat op de Brunssummerheide. Ze woonden aan de rand van de heide, bij de Heksenberg in Heerlen. Zijn vader was bouwkundig tekenaar bij de Oranje-Nassaumijnen. Hij wenste zijn drie zonen en één dochter een andere toekomst toe dan in de uitzichtloze mijnbouw. Zijn tweede zoon Henk had wel boswachter willen worden, dan zou hij altijd dicht bij de vlinders zijn. Maar zijn ouders hoopten vurig op een zoon als priester. Later zou Henk in het missaal van zijn moeder een plaatje vinden met een gebed opdat een zoon priester zou worden. Dat moet ze wekelijks en waarschijnlijk vaker gebeden hebben. Henk was vertrouwd met het religieuze bestaan, want verscheidene ooms en tantes waren kloosterling. Toen er op zijn lagere school twee missionarissen op bezoek kwamen met verhalen en dia’s over Afrika, wist hij wat hij wilde.

Hij ging naar het gymnasium, omdat dat de vereiste vooropleiding was. Daar ging het mis. Hij bleek te lijden aan de vallende ziekte, zoals epilepsie toen werd genoemd. Met zware medicijnen werd dat onderdrukt, maar een toekomst als missionaris was van de baan. Ook worstelde hij met zijn schoolvakken, vooral klassiek Grieks. Daar werd wat op gevonden. Bij het franciscaanse klooster in Megen kon hij het gymnasium volgen zonder Grieks; maar hij zou dan eindexamen hbs-a doen. Voor dat hbs-diploma moest hij wel leren boekhouden en handelsrekenen. Juist die praktische vakken vond hij reuze interessant en dat zou zijn levenspad een andere richting geven.

Toen Henk na zijn eindexamen in 1966 aan de kerkelijke opleiding begon als novice in Weert, verdampte Zijn ambitie voor het priesterschap. Hij wilde liever leraar worden. De leiding van het klooster en van de franciscaanse orde hadden het er moeilijk mee. Maar Henk zette door. Dat was een opvallende karaktertrek. Het zou niet de laatste keer zijn dat hij zijn superieuren voor het blok zette. Hij koos zijn eigen weg. De tijden dat de orde alles bepaalde, waren toen al voorbij. In het verleden hadden novicen vaak geen voorkeur durven uitspreken, omdat ze die dan juist niet zouden krijgen. Zo werd hun gehoorzaamheid beproefd.

Bij Henk liep het anders. Er werd een compromis gevonden. Hij zou een paar jaar theologie moeten studeren in Utrecht en als hij ongeveer de helft van zijn examens had gehaald, zou hij een niet-kerkelijk vak mogen leren. In 1969 begon Henk aan de Hogeschool voor Economische Studies in Rotterdam. Daar woonde hij in een huis samen met franciscaanse broeders. Om wat bij te verdienen werkte hij soms een avond in de haven. Ook deed bij vrijwilligerswerk bij de opvang voor daklozen aan de Van Speykstraat. Daar was hij graag. Eens ging bij met Jopie, een 28-jarige dakloze naar de haven op zoek naar een koppelbaas die werk had. Ze hadden geen geluk. Terwijl ze uren zaten te wachten in een cafeetje zei Jopie: "Henk, je leeft met ons mee. maar onthoud wel: als jij het wil, kun je morgen iets anders doen. Voor ons is er geen andere weg!" Dat vergat Henk nooit.

Henk koos alsnog voor de missie toen bleek dat de epilepsie van zijn jonge jaren geen beletsel meer was. De Nederlandse franciscanen op het Indonesische deel van Nieuw-Guinea wilden hem wel hebben. “Maar”, schreven ze, ”we zitten niet op een econoom te wachten, maar op goede medebroeders".

Na een halfjaar taalstudie op Java kwam hij eind 1974 aan in Jayapura, de hoofdstad van de Indonesische provincie Papua. Het leven in het klooster van de franciscaanse missionarissen was heel anders dan Henk had gedacht. Waren dit nou de zogeheten minderbroeders die de gelofte van armoede hadden afgelegd? Ze hadden allemaal een auto en Henk kreeg voor het eerst van zijn leven een gescheiden woon- en slaapkamer. De negen Nederlandse broeders werkten op kantoor van het bisdom, in de bouw, in een garage, op een drukkerij en boekwinkel of als leraar.

Voor Henk was er niet meteen een duidelijke taak. Hij hielp bij de administratie van het bisdom en hij mocht ook eens mee naar het binnenland waar de Papoea’s nog in een stenen tijdperk leefden.Henk wilde econoom van het bisdom worden, maar dat zinde de bisschop niet. Was hij met zijn 29 jaar te jong, of waren zijn haren te lang? Henk wist het niet. Hij schreef een brief aan de bisschop dat hij in het onderwijs zou gaan als bij geen econoom werd. En weer kreeg hij het voor elkaar. Later werd hij ook econoom van de plaatselijke franciscaanse orde.

De ongerepte natuur van Nieuw-Guinea was een paradijs voor een vlinderaar. Henk nam zijn vroegere hobby weer op, fanatieker dan ooit. Toen zijn termijn na acht jaar was verstreken, waren de vlinders een belangrijke reden om toch in Papua te blijven. Als vlinderman bouwde hij een grote reputatie op. Zijn collectie werd beroemd bij vlinderkenners wereldwijd. Hij begon ook een tijd-schrift dat, vertaald uit het Indonesisch, ’Het geluid van insecten in Papua’ heet.

Zijn specialisme waren de rivierwitjes, vlinders die in de schaduw nauwelijks te zien zijn als ze stilzitten. Ze verbergen hun kleurenpracht aan de onderkant van hun vleugels. Er zijn ontelbare rivierwitjes; elke stroom heeft zijn eigen variant. Henk maakte expedities in streken die amper bekend waren. Daar was geld voor nodig, wat hij vergaarde door soms gewilde exemplaren te verkopen op een beurs in Duitsland. Een spectaculair grote vogelvlinder kan duizenden euro’s opbrengen. Dat vond hij een noodzakelijk kwaad. Liever bracht hij zijn vlinders onder bij academische collecties, zoals die van Naturalis in Leiden.

Als broeder bekommerde hij zich ook om de vorming van nieuwelingen, vooral van Papoea’s. Daarvoor verhuisde hij verscheidene keren naar afgelegen plaatsen, onder andere naar de Baliemvallei. Hij weigerde hogere, bestuurlijke functies binnen de orde. De gewone broederschap was hem dierbaar. Bovendien had hij liever de tijd om ook te kunnen lesgeven aan studenten biologie en anderen die zijn vlinderkennis zochten.

In 1994 kreeg hij te horen dat knobbeltjes op zijn buik het gevolg waren van chronische leukemie in de lymfen. Hij werd behandeld in Nederland en kon terug naar Nieuw-Guinea. Steeds zeiden familie en vrienden dat hij beter in Nederland kon blijven, en hij moest ze misschien wel gelijk geven, maar hij deed het niet.

In 2005 deed hij mee aan een internationale expeditie naar het vrijwel onbekende Foja-gebergte. Het was een hoogtepunt in zijn leven. Als volgeling van Franciscus van Assisi was hij geroerd doordat de dieren er niet bang bleken te zijn voor mensen. De wereld is ons klooster, heeft Franciscus gezegd. Dat inspireerde Henk. “Niet alleen de wereld van mensen, maar de wereld, het heelal dat we als genade om niet hebben ontvangen en waarin we mogen leven en ademen", schreef hij begin dit jaar. Geen “kapel is beter voor gebed dan de donkere sterrenhemel in het binnenland van Papua."

Henk van Mastrigt werd op 15 januari 1946 geboren in Heerlen. Hij stierf op 5 augustus 2015 in Jayapura, Papua, Indonesië.