2007 Internationaal Kapittel: Diez/Lahn, Duitsland

 

Een genadejaar van de Heer

Avondoverweging op zondag (naar Lucas 4, 15-22) door Josef Gerwing op het Pinksterkapittel in Duitsland.

De Tochtgenoten kondigen een jubeljaar van de Heer af. Ingeklemd tussen talrijke verplichtingen en banen, druk in een veelvoud van bezigheden en activiteiten, kondigt de franciscaanse beweging van de Tochtgenoten een jubileum af, viert een soort ‘heilig jaar’. En wie meent, dat Tochtgenoten niet weten wat vieren is - hun leven is zo’n ernstige zaak, dat het lachen, de vreugde en de humor in hun leven geen plaats heeft - vergist zich enorm en wordt met dit jubeljaar weerlegd. Tegen alle moeizaamheid van het leven in zet de beweging in haar jubeljaar in met drie zaken: de hoop, de slaap en het lachen. Geheel in de lijn van de filosoof, Immanuel Kant, die meent: ‘De hemel heeft de mensen als tegengewicht tegen de moeizaamheid van het leven drie dingen gegeven: de hoop, de slaap en het lachen!

Hoop

Mensen, die de moed opbrengen, de hemel, God, als de grond van hun hoop te noemen, moeten ermee rekenen, belachelijk gemaakt te worden. Ze worden al gauw als naďef en wereldvreemd, ver van de echte problemen en het lijden van de tegenwoordige wereld, voorgesteld. Bijna als vreemdelingen zijn zij in onze tijd. En toch zijn er mensen, die door hun hoop tekens van Pasen plaatsen, die gewoon met de werkelijkheid van God in ons leven van alledag rekenen en dat ook nog vieren.

Slaap

Aan vromen en rechtvaardigen gaf de Heer het altijd al op een bijzondere manier, namelijk in de slaap (vgl. Ps. 127,2). Zodat de mens niet alleen zou zijn, liet God de mens in een diepe slaap vallen (Gen. 2,21). Het gevolg laat zich zien: Eva was het meest betoverende schepsel, dat aan Adam ooit verschenen was. Over het algemeen neemt de slaap in de bijbelse boodschap een belangrijke rol in, nog afgezien ervan, dat wie slaapt, niet zondigt. Als in een droom zijn de boodschappen van God in de slaap van zijn vrienden. Noach droomt over redding en bouwt een schip. Abraham droomt over uittocht, grote toekomst, vaderland en niet als laatste over nakomelingenschap. Ook zijn droom gaat in vervulling. Jozef van Egypte is bij uitstek de dromer. En Jozef van Nazareth handelt slechts naar wat God hem in de slaap zegt en redt daarmee de heilige familie.

Vele andere sprookjesachtige beeldenreeksen zouden verteld kunnen worden. Het enige bijna tragische verhaal wordt ons in het relaas van de apostelen overgeleverd. Terwijl Paulus preekt, valt een jongeman in een diepe slaap. Hij valt daarbij uit de derde verdieping van het huis. Ook Jezus heeft iets met slapen, niet alleen, dat Hij zelf in de boot in slaap valt en zich door de wind en de golven niet laat beďnvloeden, Hij zegt zelfs van de doden dat zij slechts slapen (Joh. 11; Mt. 9,24). Weliswaar is niemand in staat om uit de ban van de dood te ontvluchten, niemand kan zichzelf uit de slaap van de dood opwekken, maar de mens mag iemand verwachten, die de dood overleeft en door zijn liefde mens en wereld uit de slaap van de dood opwekt. Dát tenslotte veroorzaakt een geweldig paas-, respectievelijk ‘verrijzenisgelach.’

Lachen

Hij geve ons een vrolijk hart, Hij verfrisse onze geest en zin en Hij werpe de angst, vrees, zorg en leed in het diepe van de zee.’ Zo zingen wij, en het is gemakkelijker gezongen dan gedaan. Een vrolijk, lachend hart, die positieve grondhouding ten opzichte van het leven is een geschenk. De lachende weet zich bevrijd. Wie kent haar niet, de oude wijsheid, dat lachen bevrijdt? Buiten dat bevordert lachen de gezondheid. Wanneer ik het spreekwoord uit West Münsterland geloven mag is het beter driemaal te lachen dan eenmaal naar de dokter te gaan. In ieder geval ligt aan het vrolijke en lachende hart een gave en houding ten grondslag, die de dingen in een ander licht aannemelijker, bekoorlijker en vriendelijker toe laten schijnen. We weten nu eenmaal, meent Paulus, dat voor degenen, die God liefhebben, alles zich ten goede keert (vgl. Rom. 8,28). Opeens lachen de dingen, zelfs God en de wereld, ons als het ware toe. En we lachen terug, zijn gelukkig met de geprezene.

De gelukkige heeft een positieve voorstelling van God en van de wereld. Niet, dat hij alles begrijpt en hem alles gelukt, maar hij is er van overtuigd, dat alles voor zijn leven een zin heeft. Het is de houding van iemand die liefheeft. Voor hem is er niemand, die niet beminnelijk zou zijn. Voor hem is het zinvoller, om het mogelijke te doen, dan over onmogelijkheden te klagen. Wie fouten zoekt, zal fouten vinden. Wie het goede zoekt, zal het goede vinden. We wisselen jubelend de pagina’s van de schaduw- naar de zonnezijde. Hiermee worden de donkere zijden van het leven niet zomaar verdrongen, maar neem ik het besluit, de lichte zijden belangrijker te vinden en me er sterker door te laten beďnvloeden.

Zo wil ik graag de kleine gaven van de hemel, de slaap, de hoop en het lachen, aanvaarden, tegenover de moeizaamheid van het leven (vrij naar Immanuel Kant).

vertaling: Hennie Coumans