2007 Internationale Tocht: Assisi, Italië

 

Verslag van de avonturengroep deel 3

30 juli t/m 2 augustus 2007

verslag en foto’s van Ricky Rieter

Maandag, 30 juli: Avventura (Familiecentrum)

Om vijf uur gaat er hier en daar een wekkertje af met soms trage en onwillige reacties en anderen die snel hun slaapzak uitspringen en die al lang en breed opgeborgen hebben terwijl anderen nog proberen de zalige droomwereld te verlengen. Hier en daar moet er nog een keer gepord of vriendelijk aan de voeten getrokken worden of, een liedje gezongen of iets liefs in het oor gefluisterd of ..., fantaseer maar.

Vroeg uit de veren, toch lukt het. We zijn warempel al om zeven uur in de benen. Vandaag een korte afstand. Om half tien komen we in Rivo Torto aan, na wel heel veel ‘stopjes’ (zou ik er ooit aan wennen?). We nemen de tijd om de kerk binnen te gaan. Altijd een omslagdoek bij de hand voor schouderbedekking, want, al zijn de wachters niet meer zo streng als vroeger, er wordt nog wel op toegezien dat we niet onzedig de heilige plekken betreden.

In deze kerk is de hut waar Franciscus met een aantal broeders gehuisd zou hebben totdat een boer lomp hun vroom gebed verstoorde en de plaats voor zijn ezel opeiste. Franciscus was altijd bereid naar een andere plek te gaan. Hij wilde eigenlijk nomadisch leven, trekkend van hier naar daar, trekkend en verkondigend in tegenstelling met de Benedictijnen die een vaste woonplaats hadden. Dus geen stabilitas loci (plaatsgebondenheid) voor Franciscus, zoals de Benedictijnen nastreefden en als ideaal zagen. De oorspronkelijke hut werd later voor de melaatsen gebruikt. Van hieruit vertrok Franciscus naar Portiuncula. Dat werd toch, ondanks zijn trekkend bestaan, de thuishaven.

Voor de kerk staat een beeld van Franciscus met opstijgende vogels en dansende kinderen om zich heen. Kinderen komen in de verhalen van Franciscus niet of nauwelijks voor. Dat heeft geleerden wel eens voor de onopgeloste vraag gesteld naar de reden daarvan.

(JPG)
Franciscus met vogels en dansende kinderen.

Slaapplaats is er ook voor ons niet in Rivo Torto. We hoeven het niet beter te hebben dan Franciscus. We worden dan wel niet weggejaagd door een boer met een ezel, maar rust moeten we toch elders zoeken.

Waar we onze dagopening hebben gehouden, weet ik niet meer. Het thema was vandaag AARDE. Lof aan U, God, door onze zuster, moeder aarde. ‘Wanneer de graankorrel niet in de aarde valt...’ Joh.12,24 Neem een handvol aarde en leg haar in de hand van iemand anders met de woorden: ‘Moge God jou altijd geven wat je nodig hebt: werk voor je vlijtige handen, voedsel voor je hongerige lichaam, antwoord voor je vragende geest, vreugde en liefde voor je warme hart en vrede voor je zoekende ziel.’

Deze dag zullen we geen kapittel houden. In plaats daarvan een ‘celebration’, een viering, die door enkele groepsleden zal worden voorbereid.

We trekken verder, op naar San Damiano in de hoop daar een plek te vinden. Ik geloof er niet zo in omdat ik de omgeving ken. Voor de eerste keer moet er echt geklommen worden. Velen valt het zwaar en de kartrekkers hebben het al helemaal flink te verduren. Zweetdruppeltjes in overvloed. Voor San Damiano zijgt de club op de grond. Er kan geen stap meer verzet worden. De boodschappen moeten nog gedaan worden. Ik bied Lilibeth aan om namens haar te gaan. Christer, Mona-Lis en Frans gaan ook mee. We hollen met de lege kar de helling af. Dat is nog eens tempo. We hebben er lol in. Dat zal straks met de volle kar wel anders zijn. Maar als de winkels om twaalf uur sluiten moeten we snel zijn. Ze gaan pas om één uur dicht horen we later. We kopen te veel blijkt wel als alle ingrediënten opgeteld worden. Dan maar weer wat lozen. We moeten ons aan het budget houden. Het behulpzame oudere echtpaar verdient vandaag toch wel een aardig centje aan ons. Dat ze alleen maar Italiaans spreken maakt de communicatie soms wel even wat lastig. Wat moet er weer afgetrokken worden en wat niet? Bananen erbij, bananen eraf, hoe zit het nou? De twee oudjes spelen goed op elkaar in, maar begrijpen het soms niet op dezelfde manier.

Na wat zwoegen zijn we terug bij de club die intussen al weer verhuisd is. Ze zitten nu bij een parkeerplaats in de buurt van San Damiano. Een wachter zegt ons echter dat we in moeten schikken. De plek is voor auto’s, niet voor pelgrims. Sommigen van ons willen graag naar San Damiano. De tweede helft van de middagpauze is daar heel geschikt voor. Ik ga er met Frans heen, vraag naar Loek Bosch ofm, die in Megen heeft gewoond en nu in Assisi gasten opvangt. Een broeder piept hem op. Op een bankje praten we even bij over ‘hier en daar’, over ‘verleden en heden’, over Tochtgenoten en het programma, over de toekomst van Loek. Intussen passeren er meerdere Tochtgenoten. Het klooster maakt op iedereen indruk. Voor mij is de plek waar Clara gestorven is het meest indrukwekkend. De soberheid, de herinnering aan haar die met duizelingwekkende moed dit eerste begin heeft vormgegeven, een bijna onmogelijke taak. Dat kan geen mensenwerk alleen zijn.

Göran vraagt me een foto te maken van hem met het Franciscusbeeld. Zeer geposeerd, maar vast vraagt hij het om in hem de Franciscus wakker te maken. Uiteindelijk kunnen we ook op de nieuwe plek niet blijven. We zullen afzakken naar het Familiecentrum waar groep Luce zit. Luce brengt ook ons wat verlichting want er wordt meteen koud ijswater aangedragen om onze dorst te lessen en grote bakken water om onze voeten in te baden. Heerlijk verfrissend.

(JPG)
Frans, Ricky en Göran (met de voeten in een bak koud water, maar dat is op deze foto niet te zien).

Verder de gezelligheid van kinderen en binnen een slaapplek, als we dat willen. Ik word getroffen door een van de kleintjes die in haar totale blootje zit op Leila’s schoot met als enig ‘kledingstuk’ het houten Taukruisje.

We houden de viering op het aangrenzende veldje. Marie-O, Lilibeth en Pierre hebben het voorbereid. Het is een rustige viering waarin o.a. de lezing over het mosterdzaadje en het zuurdesem. Wie wil kan er iets over zeggen. Daar wordt niet zo op gereageerd. Pierre vraagt me of ik er iets over zou kunnen vertellen. Dat doe ik na een kleine aarzeling. Ik vertel over hetgeen me overkwam toen ik voor de eerste keer zuurdesem klaar had staan om de volgende dag brood te bakken. De avond tevoren een hoeveelheid water aan het meel toegevoegd en ’s morgens tot de ontdekking gekomen dat de kom veel te klein was. Het deeg was over de rand gestroomd. Zo is het met het Rijk Gods staat er in het evangelie, (daar moet je dan wel weer geloof voor hebben, want zichtbaar is het heus niet altijd.)

Tijdens de viering vond er nog een ceremonie plaats. We wasten elkaar de voeten. De bak ging de kring rond. Het maakte indruk op me. Ieder deed mee en ook de jongeren die gewoonlijk om bijna alles moesten giechelen, wasten serieus de voeten van de volgende. De hele tocht heeft te maken met ‘elkaar de voeten wassen’ op velerlei manieren: zien hoe de ander het maakt, iets uit handen nemen, een gesprek aangaan, hartelijkheid geven en ontvangen, je voegen naar de omstandigheden, dingen niet kwalijk nemen, een ruim hart hebben, niet vitten op de gebrekkigheid van de ander...

Als de groep ‘Luce’ met de kinderen in auto’s naar Assisi vertrokken is, kunnen wij aan de slag met koken. Christer bakt pannenkoeken, waarbij vruchtensla en yoghurt, bedoeld als nagerecht. Daarvoor aten we aardappelpuree met worstjes. Frans en Oscar maken zich verdienstelijk met het schillen van de vele aardappelen. Het smaakte allemaal prima. Wat noodzakelijk op het eten volgt is de afwas. We hadden niet genoeg warm water, maar Tochtgenoten doen daar niet moeilijk over, misschien op een enkeling na die ik maar niet bij name zal noemen. Lachen om elkaar eigen-aardigheden is gezond.

We houden binnen nog even een bespreking over de Veillée, door Esther geleid. Al huizen we vandaag dan ook in de groep Luce, toch valt het licht meerdere keren uit, maar wat belangrijk is: niet bij onszelf. We blijven rustig wachten, ook zoiets hoort bij ‘avventura’. Intussen is het vreemd en steeds onbetrouwbaarder weer geworden. We zoeken onze slaapplek op onder een overkapping op vier palen, niet al te stabiel lijkt het wel met die zeer hevige rukwinden. In de verte rommelt de lucht. Hier liggen we in elk geval droog en toch buiten. Anderen slapen binnen. Het gaat goed, geen instortend ‘dak’. We komen de nacht door en hebben ook nog geslapen, de een meer, de ander minder.

Dinsdag, 31 juli: naar Bastia Umbra, niet ver van het eindpunt

In alle vroegte staan we op. Om vijf uur, zoals we dat intussen gewend zijn. We moeten het zachtjes doen omwille van de groep met kinderen die nu nog allemaal slapen. Om zeven uur zijn we weg. We leren het al om wat op te schieten. Het waait nog tamelijk veel, maar het is niet koud. Iemand is al op en zwaait ons uit.

Qua natuur krijgen we eindelijk een mooi paadje, nu weten we dat er ook zand bestaat in Assisi. Wat een verademing, daar hadden we nu al die dagen op gewacht. Gelukkig nu, op het scheiden van de markt, dan toch nog even! Voor de kar is het niet direct gemakkelijk als de ondergrond ongelijk is, wat hobbelt en gekke bochtjes maakt. Een avonturengroep met een kar is ook niet alles, maar zonder kar? Hoe zouden we de gasstellen moeten vervoeren? En alle boodschappen voor zeventien mensen? Goede raad is duur.

Ik heb ergens een steen opgeraapt waar we voor de jarige Gillermo onze namen op zetten. Die krijgt hij vanavond. We komen aan in een enorm gebouw. We mogen er gratis in, dat is bijzonder. We huizen in een grote gymzaal.

(JPG)
Onze overnachtingsplaats.

Er moeten nog wat boodschappen gedaan worden. Frans en ik gaan op stap want wij koken vandaag en prepareren ook de lunch, maken een vulling voor de overgebleven pannenkoeken, verder brood, beleg en appel. In de namiddag worden er, onder leiding van Esther, allerlei spelletjes gedaan onder een boom in de schaduw. Ik ben er niet zo handig in. Sommige klapspelletjes gaan wel erg vlug. Daar Frans en ik de kookbeurt hebben trekken we ons wat eerder terug. Vanavond komen Colette en Piedro ‘op visitatie’. Ze zullen met ons mee-eten. Ze komen tamelijk laat aan. We waren juist besloten toch maar te beginnen.

Wij hebben weer soep op ons menu staan, deze keer champignonnensoep met allerlei extra vulling, en verder andijviestamp met spekjes. Vruchten met yoghurt na. We zitten buiten aan lange tafels. Het begint al donker te worden. Er is zelfs wijn maar die bewaren we voor de latere avond als we het feest binnen voortzetten. De tafeltijd wordt vervelend onderbroken door ‘noodzakelijke’ telefoontjes van de leiders. Ze lopen alle drie even weg. Niet leuk, maar je weet nooit of het geen ernstige reden heeft. Dat zou je gaan denken.

Binnen wordt Gillermo toegezongen, ontvangt de steen en krijgt van Colette en Piedro een knots van een watermeloen, helemaal ingepakt om het wat spannend te maken. Tot half twee in de nacht worden er spelletjes gedaan. Wie eerder wil gaan slapen trekt zich terug.

Woensdag, 1 augustus: terug naar Santa Maria degli Angeli

Ook deze nacht heb ik buiten geslapen. Ik ben al vroeg wakker en begin met het prepareren van het ontbijt. We moeten na het ontbijt wachten op de boodschappers. Frans en Oscar zijn al eerder vertrokken om de auto’s op te halen. Dan is dat alvast gebeurd. We gaan weer terug naar het pad van gisteren. Ook vandaag een stukje zandpad. Dat is genieten, al is het maar van zeer korte duur....

Terwijl we wachten op Frans en Oscar die naar Costano gaan waar de auto’s de eerste dag geparkeerd zijn, houden wij onze siësta, of schrijven de kaarten die voor ieder van ons bestemd zijn met een woordje erop, ook van iedereen. Ik ben wel verwonderd dat ik een enkeling hoor vragen: ‘Wie was dat ook weer?’ Aan het eind van de tocht elkaar nog niet bij naam kennen, pleit niet direct voor een intensief contact gedurende anderhalve week.

Göran komt even naast me zitten om te vragen hoe ik het gevonden heb. Het eerste wat me invalt is dat het een grote oefening in geduld is geweest. En ook dat ik meer spiritualiteit had verwacht. ‘Maar wat versta je onder spiritualiteit?’ is de wedervraag. Misschien was er meer spiritualiteit dan het zichtbare, bedenk ik me. Het is ook moeilijk te verwezenlijken in een diverse groep. Divers wat leeftijd betreft, wat achtergrond, taal en belangstelling betreft. Gelukkig is er meer dan mijn oefening in geduld en mijn gemis. Het meeste is niet in woorden uit te drukken, het is een ervaring waar ik nu toch met plezier aan terugdenk. Het is wat je ervan maakt. Het is hoe je omgaat met hetgeen je tegenkomt of juist mist. Juist dát is de pelgrimage. Het is goed je te voegen naar anderen en toch eerlijk te blijven naar je verlangens, zonder met de vinger te wijzen naar wat ‘verkeerd’ zou zijn. Mijn stemming heeft het een en ander in elk geval niet kunnen drukken. Daar moet wel wat meer voor gebeuren.

Voor mijzelf is zo’n tocht tevens een confrontatie met de verhouding tussen mijn beschouwende pool en mijn actieve. Ik zoek naar het evenwicht en merk aan mijn onvrede dat de ene pool niet voldoende aan zijn trekken kwam. Maar éénmaal liepen we een kwartiertje in stilte. Al compenseert zich dat ruimschoots in de rest van mijn leven, voor een Tochtgenoot kan het ook geen kwaad ruimte voor verstilling in te bouwen. Het is precies wat Franciscus deed: het een én het ander. De actieve pool van zijn leven kon alleen zó vruchtbaar worden omdat de beschouwende er evenzeer was. Ook zijn leven was een strijd om die twee in evenwicht te houden.

In het dagboek van de tocht dat wat circuleert teken ik nog een kleine mandala met zeventien stenen, symbolen van ons allemaal. We zijn even verschillend als die stenen. Daarbij weer enkele haiku’s. In zo’n beknopte vorm die gebonden is aan aantal lettergrepen per regel kun je compact toch soms een essentie weergeven:

Zeventien stenen, zeventien levens samen tot eenheid gevoegd

De weg gaat verder: het is de weg die ons roept onze levensweg

Geloven verbindt ons voor langer dan vandaag: toekomst gegeven

Geloof in elkaar, geloven in het leven, samen onderweg.

We komen binnen op de plaats waar we begonnen zijn: Santa Maria degli Angeli. Het is een grote overschakeling. We verspreiden ons, gaan op in de grote groep, ontmoeten anderen, wisselen uit. Sommigen lopen nog even naar Portiuncula, doen een boodschap of gaan naar de markt vlakbij. Ik koop er een mooie rok.

(JPG)
Onze avonturengroep.

Tussen twee en vier vertrekken er bussen naar Assisi. Achteraf bekeken, had ik die afstand best willen lopen. Onze gekochte driehoekige doekjes met ‘Pellegrini di San Francesco’ sieren schouders, hoofden of heupen. Ze zeggen tegen toeschouwers: ‘Wij horen bij elkaar’. In de basiliek is het een ongewone drukte en geroezemoes. Wat zullen de ordebewakers hebben moeten slikken, vele keren. Het is altijd zo doodstil in de basiliek, maar hoe houd je honderdveertig mensen met kinderen in toom.

We vieren samen. Elke groep laat iets van zichzelf zien of horen. Wij willen, geblinddoekt, FEDE, GELOOF uitdrukken. Zo stappen we naar voren. Daarna een lichtje doorgeven van het midden uit en zo gauw je het licht van de ander ontvangt, de blinddoek van de ogen doen en verrast rondkijken. Daarna wilden we het lied zingen dat ons elke dag begeleid had: ‘The morning had come, night is away,rise with the sun and welcome the day’, maar het een en ander kwam niet tot zijn recht omdat het niet te lang mocht worden. Ook begrijpelijk, wel jammer. Andere groepen hadden veel werk gemaakt van het maken van een symbool. Voor ons was de handeling zelf het symbool.

Een priester die, als ik goed geïnformeerd ben, bij de vorige Internationale Tocht zelf mee gelopen had, heeft nog een woordje gezegd (broeder Massimiliano Mizzi) en ook Sheana en enkele anderen. Na de viering gingen we gezamenlijk naar de crypte. Het is een plek om heel stil te worden. We waren met velen. Het was indrukwekkend om daar samen te zingen.

Ik wil niet met de bus terug. Met Frans en Joke lopen we over stille weggetjes richting onze thuisplek. Later op de avond eten we samen. Wat een organisatie voor zoveel mensen. Het loopt echter allemaal prima. Daarna Veillée, het vreugdevol samenzijn, het vieren. Bijzonder was het optreden van de zingende en dansende zusters. Velen waren verwonderd dat zoiets vrolijks ook bij zusters kon horen. Pierre maakte zich er wel wat bezorgd over. De verleiding...., ik probeerde hem gerust te stellen. Men heeft vaak een heel verwrongen beeld van religieuzen. Het zijn gewoon mensen zoals wij met een lach en een traan op zijn tijd, met dezelfde behoeftes en verlangens en dezelfde mogelijkheden als ieder ander. Ze hebben gekozen voor het religieuze leven, vanuit een geroepen zijn. Hun roeping zou niet veel waard zijn als ze door een vreugdevolle dans ineens de verleiding om een ander leven te kiezen niet zouden kunnen weerstaan.

Donderdag, 2 augustus: Carceri en richting huiswaarts

Ik heb de laatste nacht ook weer buiten geslapen. Was vroeg wakker en ben maar een pan met water op gaan zetten voor de koffie en thee. Alle restanten van gisteren staan bij elkaar. Ieder kan ruimschoots ontbijten van de resten en zelfs nog wat meenemen voor onderweg. De een na de ander wordt wakker.

Ik loop even naar het station om te vragen of we onze rugzakken daar kunnen deponeren tot in de latere namiddag. Dat kan. Op de terugweg nog even langs Portiuncula. Vandaag is het daar feest. De kerk is vol. Er is een Eucharistieviering aan de gang. Ik schuif even aan. Het is een basisplek geweest voor Franciscus. Daar begon en eindigde het. Indrukwekkend blijft dat kleine kapelletje in die grote kerk. Met die prachtige schildering van Maria die wat bangig de boodschap van de engel ontvangt. Zo menselijk om wat terughoudend te reageren.

In de vorige Roep van de weg had ik het volgende artikeltje geschreven over deze plek:

Van hoefslag tot vogelvlucht (23)

Ricky Rieter

Portiuncula, de Bakermat Als we het woord ‘baker’ opzoeken in ons woordenboek dan lezen we dat daarmee de vrouw bedoeld wordt die tot taak heeft de pasgeboren kinderen te verzorgen, alsmede de kraamvrouw. Er is zelfs een werkwoord bakeren. In de eigenlijke betekenis zullen deze woorden zelden meer gebruikt worden, maar figuurlijk wel.‘ Bakeren betekent bijvoorbeeld koesteren, warmen. Koesteren, maar..., iemand kan ook heetgebakerd zijn. Dat is een minder gunstige uitwas. Ook bakerpraat hoef je niet serieus te nemen. Het zijn allemaal verzinsels, wordt ermee bedoeld.

Het kleine erfdeel Als Portiuncula de bakermat van het hele gebeuren rond Franciscus genoemd wordt, dan is dat absoluut geen bakerpraat, al kon Franciscus zelf wel eens heetgebakerd zijn. Portiuncula is de bakermat van het Franciscaanse leven: de thuishaard waarvandaan de broeders vertrokken en waarnaar ze telkens weer terugkeerden. Ook het leven van Clara, nadat ze thuis stilletjes was weggelopen begon precies op deze zelfde plaats. Daar, bij het kleine kapelletje in het bos werd ze opgewacht door de broeders om te gaan leven in armoede. Daar werden haar haren afgeknipt, daar ontving ze een simpel kleed, in ruil van de zeer mooie kleding van een adellijk jong meisje. Daar beloofde ze in het bijzijn van Franciscus en de broeders om een leven van armoede te gaan leiden in navolging van de arme Christus. Franciscus is zijn nieuwe leven niet alleen begonnen in Portiuncula, hij is daar, op zijn eigen dringend verzoek, ook naar teruggebracht op het einde van zijn leven, zo ziek als hij was, dit was zijn wens. De Heer had hem dit plekje geschonken, ‘het kleine erfdeel’. Dat is namelijk de betekenis van die wat vreemde naam, die ouderen onder ons alleen maar kennen van de Portiuncula-aflaat. Hij had dit zeer vervallen kerkje dat gewijd was aan ‘Maria ter Engelen’, in bruikleen gekregen van de Benedictijnen. Uit eigen beweging bracht Franciscus als dank elk jaar een mandje met visjes, voorntjes, naar de Benedictijnen. Hij op zijn beurt kreeg dan een kruikje olie. Men zegt dat het gebruik tot op de dag van vandaag in stand gehouden is. Voor Franciscus was het allerminst een ‘klein erfdeel’. De eenvoud van dit kerkje dat wel een ruïne leek was voor hem juist zijn grootste rijkdom. Het paste bij zijn roeping om als arme te leven, zoals Hij in Jezus de Arme bij uitstek zag. Franciscus woonde de laatste tijd in het paleis van de bisschop waar hij verzorgd werd, maar zijn hart lag allerminst in dit paleis. Zijn hart lag daar waar hij begonnen was met enkele broeders, op dat oorspronkelijk kleine, verwaarloosde plekje.

Hic locus sanctus est Wat is het bijzonder dat we dit jaar de Internationale tocht zullen beginnen bij deze bakermat. Portiuncula is onderdeel van de grote basiliek (Santa Maria degli Angeli) die eromheen gebouwd is. Op de drempel van Portiuncula, dus het kleine kapelletje in die grote kerk, staan de woorden: ‘Hic locus sanctus est’ wat betekent: ‘Deze plaats is heilig’, woorden die doen terugdenken aan de aartsvader Jacob die een droom had over engelen die via een ladder van boven naar beneden en van beneden naar boven liepen. Jacob ervoer daarin een beeld van Gods nabijheid.

Boven de ingang van hetzelfde kapelletje staat nog een tekst, ook in het Latijn: ‘Haec est porta vitae aeternae’, ‘Dit is de deur naar het eeuwige leven.’ Beide Latijnse teksten komen in de liturgie op het feest van de Kerkwijding voor, ook al in Franciscus’ tijd. Als je gevoelig bent voor al deze woorden, ontstaat er een schroom in je om bij Portiuncula naar binnen te gaan, een heilige eerbied voor datgene wat jezelf overstijgt. Binnentreden in Portiuncula is binnentreden in een geheim. Zoals Portiuncula in de ‘baarmoeder’ van de kolossale kerk verborgen is, zo liggen de diepste geheimen van het leven van Franciscus en ook van ons eigen leven verborgen onder alle uiterlijkheden van ons leven, uiterlijkheden die misschien wel met zich ‘groot voelen’ te maken hebben, maar in de kern weten we dat in de diepste verborgenheid van ons binnenste ook de bakermat ligt van wie we ten diepste zijn of worden kunnen.

Vandaag wordt in de kerk het feest van Portiuncula gevierd. Veel mensen, overal vandaan, stromen binnen. Er zijn optredens, optochten, festiviteiten.

Als ik bij de groep terug ben hoor ik dat Tiny ook naar het station is om te vragen of de bagage wat uren in een kluis kan of iets dergelijks. Zij weet te vertellen dat we korting krijgen met een groep.

We hebben nog een hele dag over voordat de trein vertrekt. Ik vraag Pierre of hij mee wil naar de Carceri. Dat wil hij graag. Samen gaan we op weg. Bijzonder, zo’n jonge knul, met een idealisme en een open mind waar ik bewondering voor heb. Zeer religieus en trouw aan zijn keuze, ook tijdens deze tocht. Hij trekt zich regelmatig ongemerkt terug om het Getijdengebed te bidden of voor meditatie. In de omgang is hij zeer sociaal, positief, vrolijk, gedienstig. Dat kan een geweldig priester worden, (als ze hem maar niet te zeer beknotten). We klimmen op naar Assisi en daarna beginnen we aan de grote klim naar de Carceri. Dit is het echte werk. Nu hebben we tenminste toch één tocht gehad die een uitdaging was. Voor het gros natuurlijk veel en veel te hoog gegrepen. We praten wat, en lopen ook in stilte. Het is een pittige tocht die we toch zonder rustpauzes volbrengen in twee uur tijds. Onderweg zien we een geel geschilderde Tau op een boom. Ja, we zitten op de goede weg.

Als we aankomen begint er juist een Eucharistieviering. Dat komt goed uit. We gaan er samen heen. Mooi om zo af te mogen sluiten. Daarna bekijken we het hele heiligdom.

De Carceri is een kluis met grote aantrekkingskracht, een lievelingsplek voor velen die Franciscus willen volgen, een stille plek, in een uitgelezen natuurgebied. Wie er eenmaal was, wil er altijd weer naar terug. Een lange moeizame klim is geen belemmering, maar een zinvolle en rijke entree, een voorbereiding op wat komen gaat. De Carceri ademt de geest van Franciscus en zijn broeders, de geest van het eerste uur. Het ligt verborgen in de bossen, tegen de helling van de Monte Subasio. Verborgen als een geheim dat te ontdekken valt bij nadere beschouwing, bij stilte, bij vertoeven. Je kunt de Carceri eigenlijk pas ontdekken als je in staat bent om zelf innerlijk stil te worden. Je hebt geluk als er weinig mensen zijn en als je tijd in overvloed hebt, als de tijd niet telt, want de plek is gewoon tijdloos, eeuwig jong en eeuwig oud.

Ikzelf heb vandaag niet de rust om de Carceri te proeven. Er is onrust vanwege de trein die we straks niet mogen missen; ik wil nog wat boodschappen doen, kleinigheden kopen voor de kleinkinderen, het winkeltje zoeken met de mooie stenen... De Carceri komt bij mij deze keer niet echt binnen, maar ik kan in gedachten terugkomen naar deze stille plek op elk gewenst moment.

Ik wil teruggaan, maar Pierre wil nog opnieuw naar de kapel. Dat doet hij. Ik beloof bij de ingang bij de kiosk te wachten. En wie we daar ontmoeten? Tochtgenoten: Frans is met de auto (met Riky, Joke en Bets) en er zijn nog enkele dapperen (Mia en José) die ook te voet gekomen zijn. Frans trakteert! We praten wat na voordat we afscheid nemen, want we zaten in verschillende groepen en de ervaringen zijn uiteraard ook niet hetzelfde. Frans met de drie dames neemt nog een paar dagen de tijd om terugrijdend mooie plekjes aan te doen. De anderen gaan met de trein terug.

(Later hoor ik dat Leone ook in zijn uppie hierheen gekomen is). Op de terugweg ontmoeten we Marie-José, samen met een groep verkenners. Ze is helemaal van de wijs. Heeft doodsangsten uitgestaan op het weggetje. Ze keek omlaag en werd bevangen door hoogtevrees, had zich aan een boom vastgehouden en geroepen om hulp toen de verkenners langskwamen. Door erover te praten en door de aandacht zakte het nare gevoel al gauw. Pierre geeft haar een banaan die ze dankbaar aanneemt. Ze wil naar de Carceri om daar met iemand anders terug te gaan, niet meer over het steile weggetje, maar over de grote weg. Wij kiezen voor de steile weg en gebruiken voor het eerst deze week de stokken. Dat moet hier wel, want de stenen glijden onder je voeten weg.

Na de moeizame daling - het is opletten geblazen - komen we weer in Assisi aan. Ik fotografeer nog een van de straatjes. Pierre en ik nemen afscheid van elkaar. Zijn trein vertrekt vroeger dan de mijne. Ik winkel nog even, eet ergens een punt pizza en loop op mijn gemak terug. Voldaan.

Bij het station verzamelen we ons. Ik ben er veel te vroeg. Oscar en Esther die nog vakantie gaan houden, komen ons uitzwaaien. Aardig.

De terugreis, ik herinner me er niet meer zoveel van. Eerst een nacht in de trein. Als we wakker worden zijn we al een eind gevorderd. Ik weet alleen dat ik van Oss uit geen treintaxi wilde nemen. Die laatste wandeling laat ik me niet ontnemen!

Voor de totaalervaring van de tocht wil ik met Franciscus uitroepen:

LAUDATE SIE MI SIGNORE!